In 2025 telde Nederland 372.000 deeltijders die meer uren willen werken, tegenover 297.000 werklozen. De grootste onbenutte groep op de arbeidsmarkt heeft dus al een baan. Deeltijders geven aan gemiddeld 2 tot 2,5 uur per week extra te willen werken. Bij een klant met twintig deeltijders is dat samen ruim een volledige werkweek, zonder een enkele nieuwe kandidaat.
Onderzoeksbibliotheek
41 publicaties
Elk rapport en artikel van IPMERC Research op een plek. Openbaar, met bronvermelding, en vrij te gebruiken.
Krapte
Tussen medio 2022 en medio 2025 daalde de Nederlandse vacaturegraad van 5,1% naar 4,2%. Dat gemiddelde verbergt het eigenlijke verhaal. In ICT zakte de graad van 8,2% naar 5,1%, in handel en horeca van 6,6% naar 4,7%. In de bouw ging hij van 7,5% naar 7,4% en in de zorg van 4,4% naar 4,3%. Twee sectoren koelden vrijwel niet af, en dat zijn precies de sectoren waar productie niet uitgesteld of geautomatiseerd kan worden.
De bouw heeft tussen 2026 en 2029 75.000 nieuwe voltijds arbeidskrachten nodig, waarvan het onderwijs er ongeveer 50.000 kan leveren en 25.000 uit zij-instroom moet komen. De netbeheerders hebben tot 2029 28.000 technici nodig, waarvan 23.000 bij aannemers. In de zorg raamt men een tekort van 155.000 in 2032, tegen 37.000 in 2021. Dit zijn de drie sectoren waar de vacaturegraad sinds 2022 vrijwel niet daalde.
De Nederlandse IT-arbeidsmarkt koelt af sinds 2023. Toch groeide het aantal werkenden in IT-beroepen in het tweede kwartaal van 2026 met 36.000 op jaarbasis, de sterkste stijging van alle beroepsgroepen. Die cijfers spreken elkaar niet tegen: de markt normaliseert na een uitzonderlijke piek, maar het knelpunt is verschoven van aantal naar aansluiting. In 2024 lukte het 63% van de bedrijven die IT-personeel zochten niet om alle vacatures te vullen.
In 2024 kocht 71,0% van de Nederlandse bedrijven met tien of meer werknemers betaalde clouddiensten in. In datzelfde jaar had 29,7% van die bedrijven een ICT-specialist in dienst. In 2025 draaide 55,4% van de Nederlandse bedrijven een database of bestandsopslag bij een cloudaanbieder, tegen 24,0% in de Europese Unie als geheel, en alleen Denemarken zit daarboven met 55,5%. Migratie weg bij die diensten is ICT-werk. Van de Nederlandse bedrijven die in 2024 een ICT-specialist zochten, hield 63,1% een vacature over die niet ingevuld raakte, en de meest genoemde oorzaak was dat er niemand solliciteerde. Toen de Autoriteit Consument en Markt 420 zakelijke cloudgebruikers ondervroeg, bleek dat 172 van hen ooit hebben geprobeerd van aanbieder te wisselen. Bij 52 daarvan lukte het niet, oftewel 30,2% van alle pogingen. Van de bedrijven bij wie het wel lukte, deed 52,5% dat met een tussenpartij.
In het vierde kwartaal van 2024 waren van de 93 beoordeelde beroepsgroepen er 34 krap en 56 zeer krap; 2 waren gemiddeld en 1 was ruim. Voor 32 van de 112 groepen voorspelt het ROA verdere verkrapping tot 2030. Wat die groepen onderscheidt is zelden banengroei en meestal vertrek: gemiddeld moet 2,8% van de werkenden per jaar worden vervangen, bij slagers 8,1%, de hoogste van alle beroepsgroepen, en bij adviseurs marketing, public relations en sales 1,1%. Slagers kennen vrijwel geen banengroei en blijven toch krap; de adviseurs worden iets minder krap. Vertegenwoordigers en inkopers krimpen met 1.900 werkenden en blijven niettemin aan de krappe kant. De drie beoordeelde ICT-groepen, samen 518.400 werkenden, waren eind 2024 alle zeer krap en worden tot 2030 alle iets minder krap; bij gebruikersondersteuning ict was dat in het derde kwartaal van 2025 al zichtbaar. Bij vijf technische beroepsgroepen is de voorspelde afkoeling in dat kwartaal juist nog niet terug te zien in de Spanningsindicator.
Krapte op de arbeidsmarkt is geen conjunctuurverschijnsel meer. De Nederlandsche Bank concludeerde in 2024 dat het arbeidsaanbod door vergrijzing tot 2040 vrijwel niet meer groeit. Als het aanbod niet meegroeit, past de vraag zich aan: bedrijven schalen werk af, verhogen de prijs of automatiseren. In de zakelijke dienstverlening gebeurt dat nu al. Kwantitatief is het gat bijna gedicht, kwalitatief is het groot.
Van de Nederlandse werkgevers die in het najaar van 2025 hun moeilijkst vervulbare vacature aanwezen, noemde 27% een technisch beroep: monteurs, lassers, verspaners, CNC-operators en engineers. Zorg en welzijn volgt op afstand met 13%. In de bouw was 71% van de ontstane vacatures moeilijk vervulbaar, in de industrie 53%. De vacaturegraad stond in het vierde kwartaal van 2025 in de bouw op 7,0%, in de specialistische zakelijke diensten op 5,0% en in de ICT op 4,8%, tegen 3,9% voor de hele economie. De markt als geheel wordt ruimer, het aandeel moeilijk vervulbare vacatures daalde van 53% in 2023 naar 45% in 2025, maar dat is vooral het verhaal van kantoorberoepen. In Duitsland zakte de vacaturegraad in de ICT naar 2,5%. Het Nederlandse techniektekort is geen Europees noodlot, het is een Nederlands profiel.
Groei
Van de 9,42 miljoen Nederlandse werkenden tussen 15 en 64 jaar zijn er 1,87 miljoen tussen 55 en 64: 19,9%. Zij verlaten de arbeidsmarkt binnen ongeveer tien jaar. Dat is geen conjunctuur en geen groeiscenario, het is een leeftijdsopbouw die al vaststaat. De vraag naar personeel die daaruit voortkomt bestaat ongeacht wat de economie doet, terwijl de instroom die haar zou moeten opvangen kleiner is dan de uitstroom.
Nederland leverde in 2024 8.710 ICT-afgestudeerden af op bachelor- en masterniveau, tegen 3.101 in 2015. Een stijging van 181% in negen jaar, veel sneller dan de 28% groei van het totale aantal afgestudeerden. Toch bleef het aandeel bedrijven met moeilijk vervulbare IT-vacatures rond de 63%. Meer aanbod uit het onderwijs heeft de krapte dus niet opgelost, en dit rapport laat zien waarom.
Salaris
De Nederlandse loonkostenindex ging tussen medio 2021 en medio 2025 van 113,1 naar 143,1, een stijging van 26,5%. Dat is meer dan Duitsland (23,1%) en bijna het dubbele van Frankrijk (14,1%). Toch noemt slechts 39% van de Nederlandse werkgevers de salarisverwachting van kandidaten als reden dat een IT-vacature moeilijk vervulbaar is, onder het EU-gemiddelde van 42%. Beide feiten samen betekenen dat meer betalen een matchingprobleem niet oplost.
Dit rapport presenteert de mediaan bruto maandsalarissen voor twaalf IT-markten in Nederland. De data beslaan de periode augustus 2024 tot en met augustus 2026 en zijn afkomstig uit echte plaatsingsdata van Pearson & Partners. Cloud is de grootste markt met 328 waarnemingen. Architectuur is het best betaald met een mediaan van €7.800 per maand. De kwartaaltrends laten zien dat Cloud licht daalt, terwijl Data en Java stijgen.
Hoe je om een startsalaris vraagt, bepaalt of vragen iets oplevert. In een studie onder 149 Amerikaanse professionals, gepubliceerd in het Journal of Organizational Behavior in 2011, kreeg wie onderhandelde gemiddeld $5.000 meer dan het eerste bod. De winst kwam van twee van de vijf gemeten stijlen: druk zetten en samenwerken. Het midden zoeken en meegaan leverden niets meetbaars op, en risicomijdende deelnemers onderhandelden het minst en waren achteraf het minst tevreden. Een verschil van $5.000 bij de start groeit bij 5% jaarlijkse verhoging in veertig jaar op tot ongeveer $604.000, volgens onze eigen rekensom.
Mobiliteit
Elk kwartaal beginnen honderdduizenden Nederlandse werknemers bij een andere werkgever. In het tweede kwartaal van 2026 waren het er 320.000, oftewel 4,0% van alle werknemers, ongeveer een op de 25. Sinds 2013 bewoog het kwartaalaandeel tussen 2,6% en 5,3%, en de piek uit de krapste jaren is volledig teruggelopen: het huidige tempo ligt vrijwel op het niveau van 2019. De stroom loopt door de flexibele schil: ruim zes op de tien wisselaars komen uit een flexibel contract, en 85% start na de overstap opnieuw in een flexibele arbeidsrelatie.
Werving
Van de Nederlandse werkgevers met externe vacatures verrichtte 65% in het najaar van 2025 extra inspanningen om personeel te vinden. De volgorde is een ladder. Bovenaan staan de goedkope treden: vacatures via meer kanalen verspreiden (54%), via het eigen netwerk werven (52%) en kandidaten aannemen die nog opgeleid moeten worden (52%). Daaronder de arbeidsvoorwaarden (34%). Pas dan volgt de buitendeur: 22% huurt vaker uitzendkrachten, gedetacheerden of freelancers in en 21% zet vaker een recruiter, wervingsbureau of headhunter in. In de industrie liggen beide externe routes boven het gemiddelde. Op de piek van de krapte, in het najaar van 2021, schakelde de helft van de werkgevers met moeilijk vervulbare vacatures een uitzendbureau, wervingsbureau of headhunter in. Wie als bureau een opdracht binnenkrijgt, krijgt gemiddeld een vacature waar de markt al op is uitgekeken: 87% van de werkgevers met wervingsproblemen kreeg te weinig reacties.
Een werving- en selectiebureau rekent op no-cure-no-pay-basis doorgaans 22 tot 32% van het bruto jaarsalaris per plaatsing; bij retained search is dat 20 tot 30%, waarvan een deel vooraf wordt betaald. Bij een salaris van €55.000 en een fee van 25% komt dat neer op €13.750. Een eigen corporate recruiter kost per jaar €65.000 tot €80.000, opgebouwd uit een gemiddeld salaris van circa €41.000 tot €55.000 (geraadpleegd augustus 2026), zo'n 30% werkgeverslasten en enkele duizenden euro's aan systemen en jobboards. De vaste last is daarmee pas terugverdiend vanaf ongeveer vijf tot zeven plaatsingen per jaar die anders via een bureau waren gelopen. Boven dat volume wint de eigen recruiter ruim: in het laatste Nederlandse benchmarkonderzoek (meetjaar 2020) lag de kostprijs per hire bij corporates op €3.818, bij een portefeuille van gemiddeld 20 vacatures per recruiter. Onder dat volume betaalt een bedrijf meer voor de eigen recruiter dan het aan fees kwijt was geweest. En bij schaarse technische profielen dreigt de duurste uitkomst: eerst maanden intern proberen, daarna alsnog het bureau betalen.
In 2025 is 78,7% van de werknemers in ICT-beroepen tevreden met het werk, tegen 78,6% van alle werknemers. In 2018 lag IT nog 4,4 punt voor. Dat gat is dicht, terwijl de voorsprong in vrijheid en loon bleef: 79,8% van de IT'ers beslist regelmatig zelf hoe ze hun werk doen, tegen 60,2% van alle werknemers, en het mediane uurloon is €34,80 tegen €26,90. Burn-outklachten lopen in IT juist voor, 24,1% tegen 20,7%. Dit rapport legt de cijfers van de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden naast het model van arbeidseconoom Peter van der Meer, dat verklaart waarom geld en autonomie het welzijn in het werk niet alleen dragen, en wat dat betekent voor wie IT'ers werft.
Automatisering
In 2026 onderzocht platformaanbieder Phenom 219 werkgevers in acht sectoren op de automatisering van hun wervingsproces. Op het aantrekken van kandidaten scoren werkgevers gemiddeld 62% van het haalbare maximum. Op de selectie na het klikken op de solliciteerknop is dat 21%, een gat van 41 procentpunt. 94% plant geen gesprek in op het moment van solliciteren. 99% zet geen video-interviews in. Minder dan 1% heeft een volledig georkestreerd selectieproces. Bij frontline-rollen zit 85% in de laagste automatiseringscategorie. Bij kenniswerkerrollen is dat 93%. Geen enkele sector scoort boven de 30%. De data komt van een platformaanbieder die meet tegen zijn eigen productcategorieën, en dat voorbehoud hoort bij elk gebruik van de cijfers.
Een enquête onder meer dan honderd organisaties door Aptitude Research in 2026 laat zien dat 35% van de wervingstijd opgaat aan interviewcoördinatie, 25% aan screening en 24% aan kandidaatcommunicatie. Van de 219 werkgevers die Phenom onderzocht, biedt 94% geen geautomatiseerde interviewplanning aan op het moment van sollicitatie. 6% biedt dat wel. 1% zet een voiceselectie-agent in. 57% van de ondervraagde organisaties gebruikt al een vorm van automatiseringsagenten, maar de inzet concentreert zich op het begin van het proces, niet op de coördinatiestappen die het gros van de tijd opeten.
Proces
Dit rapport analyseert het recruitmentproces van intake tot plaatsing. Het uitvalpercentage bij het eerste interview (IV1) is 72%: bijna drie op de vier kandidaten komen niet verder na het eerste gesprek. De gemiddelde doorlooptijd van intake tot plaatsing bedraagt 47 dagen. Per markt en per senioriteit zijn salarisbanden berekend, met de grootste sprong bij Embedded: 56% toename van medior (€3.850) naar senior (€6.000).
Verkopers horen vaak dat een klant pas ja zegt na vijf pogingen. Dit artikel zoekt uit waar dat getal vandaan komt. Het spoor eindigt bij een kleine enquête uit 1942, met minder dan veertig deelnemers. Moderne datasets laten iets anders zien: hoe vaak je iemand aan de lijn krijgt, hoeveel contactmomenten een afspraak kost en wat het eerste nee echt betekent. De conclusie: het getal vijf klopt toevallig ongeveer voor iets anders, namelijk het aantal contactmomenten dat een topverkoper nodig heeft voor een eerste afspraak. Over het overtuigen van een klant zegt het niets. Wie bedrijven koud belt, moet rekenen op zeven tot acht belpogingen per persoon, ongeveer twintig contactmomenten in drie weken en ongeveer negentien belpogingen per echt gesprek.
Kwaliteit
Een enquête onder meer dan honderd organisaties door Aptitude Research in 2026 laat zien dat 54% kwaliteit noemt als de grootste wervingsuitdaging. 45% noemt snelheid en 39% noemt kosten. Onder de werkgevers die hun automatisering als effectief beoordelen, meldt 42% een hogere kwaliteit van aanname. Maar 61% van de 219 onderzochte werkgevers past dezelfde automatisering toe op frontline-rollen en kenniswerkerrollen, zonder onderscheid naar het type profiel. 64% meet de inzet van automatisering goed, maar slechts 60% doet dat consistent over alle roltypes. De verschuiving van snelheid naar kwaliteit verandert wat een opdrachtgever van een bureau verwacht.
Geografie
Dit rapport brengt de geografische verdeling van IT-kandidaten in kaart over vier regio's: Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en de rest van Nederland. Amsterdam domineert in alle markten behalve Embedded en PHP. Utrecht heeft een opvallend hoog aandeel Data-professionals: 24% van de Utrechtse IT-markt bestaat uit Data, vergeleken met 11% landelijk. Rotterdam is relatief sterk in Cloud en Testing.
Gespreksvoering
Gestructureerde gespreksvoering
23 min lezen
Dit artikel beschrijft een raamwerk voor gespreksvoering, opgebouwd uit de praktijk van professionele dienstverlening. Het kent zes fasen die in vaste volgorde worden doorlopen in een eerste gesprek, en die daarnaast los inzetbaar zijn in vrijwel elke andere interactie. Daarnaast beschrijft het artikel een vaste route voor het behandelen van weerstand, een driedelige opbouw voor een voorstel en een werkritme dat de toepassing draagt. De beschrijving is bewust vrij gehouden van een specifieke sector, zodat het materiaal bruikbaar is in het onderwijs, in commerciele en adviserende teams, en in elke context waarin mensen een gesprek voeren met een doel.
Europa
Nederland is het thuiswerkland van Europa. In 2025 werkte 11,3% van de werkenden van 15 tot 64 jaar gewoonlijk vanuit huis en 41,0% soms, samen 52,3%. Zweden volgt op afstand met 44,5% en het EU-gemiddelde staat op 23,0%. Sinds 2021 is het totaal vrijwel stabiel, maar de samenstelling schoof: volledig thuiswerken zakte van 20,4% naar 11,3%, terwijl soms thuiswerken steeg van 33,5% naar 41,0%. Hybride won. Voor werving betekent dit dat de reisafstand van kandidaten in Nederland minder bepalend is dan waar ook in Europa.
Werkloosheid is in Nederland vooral een doorgangsfase. Over de vier kwartalen tot en met het eerste kwartaal van 2026 was gemiddeld 37,0% van de werklozen een kwartaal later aan het werk, ruim een op de drie. Het EU-gemiddelde staat op 23,1%, en alleen Denemarken zit met 39,2% hoger. Op de piek van de krapte lag de Nederlandse uitstroom nog hoger: 41,5% over dezelfde kwartalen in 2022 en 2023. De andere kant is klein maar groeit: het aandeel werkenden dat werkloos raakt, steeg in een jaar van 1,0% naar 1,4% per kwartaal.
Europa telt officieel 2.617 gemelde tekortberoepen en 2.177 overschotberoepen, en dezelfde beroepen staan geregeld in het ene land op de tekortenlijst en in het andere op de overschotlijst. Nederland is een uiterste: 195 tekortberoepen, het op een na hoogste aantal na Italie, tegenover 8 overschotberoepen, vrijwel het laagste van Europa. Er valt hier dus bijna niets binnenlands te herverdelen. Rond 53 miljoen Europese werkenden, ongeveer een kwart van de werkgelegenheid, zit in een beroep met wijdverbreide tekorten of overschotten.
Nergens in de EU duurt het arbeidsleven zo lang als in Nederland: 44,0 verwachte jaren in 2025, tegen 43,4 in Zweden en 37,5 gemiddeld in de EU. Opvallender is het tempo waarin dat gebeurde. In 2000 stond Nederland nog op 35,5 jaar; er kwamen dus 8,5 jaar bij in 25 jaar, vooral door de arbeidsdeelname van vrouwen en het latere pensioen. Voor de vervangingsvraag is dit het zachtste kussen dat er is: mensen werken langer door. Maar het kussen is grotendeels opgebruikt, want veel verder oprekken kan een arbeidsleven nauwelijks.
De Nederlandse economie draait op technologie, maar de werkende bevolking is er dun mee opgeleid. In 2025 had 9,0% van de werkenden een afgeronde opleiding in de STEM-richtingen beta, techniek of ICT, tegen 11,1% gemiddeld in de EU. Nederland staat daarmee 22e van de 30 gemeten landen; Litouwen voert de lijst aan met 15,1%. De voorraad groeit wel, van 748.700 werkenden in 2021 naar 869.500 in 2025, een stijging van 16%. Van hen werkt 65% als vakspecialist en zo'n 12% buiten de kennisberoepen.
Elk plan dat rekent op het activeren van jongeren stuit in Nederland op een lege reserve. Van de 15- tot 29-jarigen was in 2025 5,3% niet aan het werk en niet in opleiding, het laagste aandeel van de EU; het gemiddelde is 11,0% en Zweden volgt op 5,9%. Binnen die kleine groep wil het grootste deel wel: 4,3 van de 5,3 procentpunt zegt te willen werken. De reserve is dus niet onwillig maar dun, en wie er toch uit wil werven, concurreert met heel Europa om het kleinste overschot van het continent.
De Europese vooruitblik op de Nederlandse arbeidsmarkt tot 2035 bevestigt wat de vervangingscijfers al lieten zien, en rekt het door naar het volgende decennium. Van alle verwachte baanopeningen tussen 2022 en 2035 komt 68% voort uit vervanging van vertrekkende werkenden; bij technici en ondersteunende specialisten zelfs 91%. Vakspecialisten nemen 44% van alle openingen voor hun rekening en 72% van de openingen vraagt een hoge kwalificatie, zo'n 12 punten boven het EU-gemiddelde. De beroepsbevolking van 55-plus groeit hier met 16% tot 2035, tegen krap 10% in de EU.
Elk kwartaal vraagt de Europese Commissie bedrijven wat hun productie beperkt. In juli 2026 daalden in de industrie drie van de vier beperkingen: onvoldoende vraag naar 33,9%, het laagste niveau sinds juli 2023, materiaaltekorten naar 12,6% en financiering naar 5,2%. Alleen het tekort aan arbeidskrachten steeg, met 0,6 punt naar 17,1%. In de bouw noemde in december 2025 28,5% van de bedrijven het arbeidstekort een beperking, bijna evenveel als de 31,0% die onvoldoende vraag noemde. De conjunctuur trekt aan, en het eerste dat dan knelt is personeel.
Nergens in de EU stapelen zo veel mensen banen als in Nederland. In 2025 hadden 983.000 werkenden van 15 tot 64 jaar een tweede baan, 10,4% van alle werkenden, tegen een EU-gemiddelde van 4,1%. Denemarken volgt op 9,7%, Duitsland staat op 5,1%. De verklaring ligt dicht bij de deeltijdstructuur: waar hoofdbanen klein zijn, is ruimte om te stapelen. Voor werving is de tweede baan een onderschat signaal: bijna een miljoen mensen laten zien dat ze meer uren kunnen en willen werken dan hun hoofdbaan biedt.
Terwijl de IT-vacaturegraad sinds 2022 fors daalde, bleef het bedrijvenregister de andere kant op bewegen: van 92.620 ICT-bedrijven in 2021 naar 111.713 in 2024, een groei van 21% in drie jaar. De werkgelegenheid in de sector groeide mee naar 386.306 personen in 2023, 8% meer dan in 2021, bij minder dan vier personen per bedrijf. De sector is daarmee 3,8% van de Nederlandse werkgelegenheid, tegen 3,4% gemiddeld in de EU, en 5,3% van de toegevoegde waarde. De groei zit vooral in heel kleine bedrijven, en dat is de eigenlijke bevinding.
Terwijl 77% van de Europese werkgevers in 2019 al moeite had om mensen met de juiste vaardigheden te vinden, is goed gedocumenteerd wat bedrijven daar feitelijk tegen doen schaars. Het Europese onderzoeksbureau voor arbeidsomstandigheden onderzocht het bij 17 organisaties in 13 lidstaten. De maatregelen clusteren in vier groepen: samenwerken met onderwijs en bemiddelaars, meer bieden dan loon alleen, slimmer werven via referrals en bredere zoekgebieden, en selecteren op aanleg in plaats van diploma. Opvallendste bevinding: de wil om internationaal te werven is groter dan het gebruik ervan.
De inhaalslag in de Nederlandse cao-lonen is voorbij zijn top. Na 6,0% groei in 2023 en 6,6% in 2024, het hoogtepunt van de golf, zakte de jaargroei naar 5,0% in 2025 en 3,9% in juli 2026. De eurozone beweegt dezelfde kant op: de loontracker van de ECB, gevoed door cao-akkoorden uit negen landen waaronder Nederland, wijst voor 2026 op 2,3% en voor begin 2027 op 2,7%, tegen 3,2% in 2025. Nederland loont dus nog altijd boven het muntgebied, maar het gat versmalt en de richting is overal omlaag.
Wie de Nederlandse krapte als lokaal probleem leest, mist de helft van het verhaal. In het hele OESO-gebied stond de werkloosheid in mei 2026 op 4,9%, dicht bij het laagste punt sinds het begin van de meting, en bereikten werkgelegenheid en arbeidsdeelname in het eerste kwartaal records van 72,1% en 76,7%. Nederland zit daar met 3,8% werkloosheid in juni nog onder, tegen 6,0% in de EU. Tegelijk groeit de werkgelegenheid trager, 0,3% verwacht voor 2026, en lagen de reele lonen in een derde van de landen nog onder het niveau van begin 2021.
In het vierde kwartaal van 2025 stonden in Nederland 377.000 vacatures tegenover 407.000 werklozen: 93 vacatures per 100 werklozen, de hoogste verhouding van de 24 lidstaten die beide reeksen publiceren. Malta volgt met 80, Duitsland met 66, Roemenie sluit met 6, oftewel achttien werklozen per vacature. Nederland stond op het Europese hoogtepunt van medio 2022 niet eerste maar derde, achter Tsjechie (186) en Duitsland (140). Sindsdien daalde de Nederlandse verhouding met 31%, tegen 53% in Duitsland, 60% in Oostenrijk en 72% in Tsjechie. Elders volgt die daling de economische groei (correlatie 0,70 over 24 landen), maar Nederland groeide over dezelfde periode met 2,1% juist traag. Wat Nederland apart zet is het niveau waarop het blijft hangen: een vacaturegraad van 4,0% tegen een eigen record van 3,3% van voor de pandemie, bij het hoogste deeltijdaandeel van de EU (42,3%).
Overheid
Zeven Nederlandse toezichthouders die sinds 2010 in dezelfde vorm bestaan, groeiden van 2.730 naar 4.772 fte, een toename van 75%. De Autoriteit Persoonsgegevens ging van 79 naar 312 fte, Staatstoezicht op de Mijnen van 57 naar 188, de Nederlandse Zorgautoriteit van 254 naar 521. De AFM groeide 70%, DNB 54%. Het Rijk als geheel telde eind 2025 160.016 fte tegen 114.328 eind 2010, een groei van 40,0%. De hele Nederlandse economie groeide in dezelfde periode 19,6% in arbeidsjaren. Binnen het Rijk groeide de werksoort inspectie tussen 2021 en 2025 met 33,5%, tegen 22,0% voor alle rijksmedewerkers. De groei komt uit nieuwe wettelijke taken: de AVG in 2018, online kansspelen in 2021, de Groningse aardbevingen, nieuw Europees financieel toezicht. Het kabinet-Jetten rekent op €1,4 mrd besparing op het apparaat in 2030. Het CPB telt daarvan €0,2 mrd mee en noemt de rest niet plausibel zolang geen taken vervallen. In 2025 stokte de groei al: de ACM kromp, de IGJ kromp, de NZa stond stil en het Rijk groeide nog 1,9%.
Vervangingsvraag
In november 2025 stonden er in Nederland 55,6 uitkeringsontvangers tegenover elke 100 werkenden: 39,6 met een pensioen en 16,0 met een socialezekerheidsuitkering. In 2014 waren het er 63,6. Sindsdien kwamen er 940.000 gepensioneerden bij ten opzichte van 2001 en steeg hun aandeel in de bevolking van 15,1% naar 18,6%, maar het aantal werkenden groeide harder, van 7,14 miljoen in 2014 naar 8,51 miljoen in 2025. Die groei zit vooral bij ouderen. Van de 60- tot 65-jarigen werkte in 2010 36,9%, in 2025 69,5%. Van de 65- tot 70-jarigen ging het van 12,1% naar 29,5%. Het aandeel 55- tot 65-jarigen met een pensioen als hoofdinkomen daalde van 18,9% in 2006 naar 2,9% in 2025, terwijl de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar ging. Het kabinet rekende op nog meer aanbod uit een een-op-eenkoppeling van de AOW-leeftijd, maar trok dat plan op 26 mei 2026 in. Wat overblijft, de strengere WW-toegang, raakt volgens UWV zo'n 12% van de nieuwe WW-gerechtigden, voor de helft mensen met een tijdelijk contract.
Beroepen
Nederland telde in 2025 215.000 administratief medewerkers, tegen 283.000 in 2013, een daling van 24,0% in een periode waarin de werkzame beroepsbevolking met 16,6% groeide. Secretarieel medewerkers gingen van 64.000 naar 35.000, een daling van 45,3%. Het hele administratief personeel kromp van 829.000 naar 801.000 en zijn aandeel in alle banen van 9,8% naar 8,1%. Aan de bovenkant van dezelfde beroepsklasse gebeurde het omgekeerde: de specialisten in bedrijfsbeheer en administratie gingen van 357.000 naar 707.000, een verdubbeling, met accountants, bedrijfskundigen, beleidsadviseurs en HR-specialisten elk rond de 100% groei. Het aantal nieuwe vacatures voor administratief personeel daalde van 158.200 in 2022 naar 114.500 in 2025, 27,6% minder, tegen 8,6% minder voor alle beroepen. Wie nog administratief werkt, is oud: 31,0% is 55 jaar of ouder, tegen 23,3% van alle werkenden. Dat maakt de krimpende beroepsgroep de komende jaren toch een wervingsprobleem.